De opleiding psychologie streeft ernaar studenten op te leiden tot redelijk eigenzinnige wereldburgers die zich met een onderzoekende houding doorheen hun professionele loopbaan inzetten voor een duurzame humanistische maatschappij. De opleiding geeft daarom een centrale plaats aan multidisciplinair denken en waarden zoals vrijheid, positief kritische ingesteldheid,
menselijke waardigheid, tolerantie en verantwoordelijkheid. Doel is om het functioneren van mensen te ondersteunen. Hierbij opereren studenten niet uitsluitend in een één-op-één relatie, maar houden rekening met de context waarin iemand functioneert (gezin, school, groep, koppel, team, collega’s, …). De student koppelt theorieën aan praktijk, baseert het handelen zoveel mogelijk op wetenschappelijke bevindingen en weet deze bevindingen kritisch te evalueren. Bij dit alles heeft de student voortdurend aandacht voor de eigen gezondheid en welzijn om zodoende een effectief functioneren te garanderen.
1. De professionele houding van de master in de psychologie
1.1. PROFESSIONELE WAARDEN EN ATTITUDE
1.1.1. De student neemt een professionele houding aan in diverse contexten en situaties.
1.1.2. De student bewaakt de professionele waarden en integriteit en lost situaties die deze bedreigen autonoom op.
1.2. REFLECTIE EN ZELFEVALUATIE
1.2.1. De student kan kritisch reflecteren over het eigen denken en handelen.
1.3. DIVERSITEIT
1.3.1. De student kan rekening houden met diversiteit in termen van normen en waarden en individuele verschillen tussen mensen.
1.3.2. De student is in staat om psychologisch advies en handelen af te stemmen op diversiteitskenmerken en de sociaal-maatschappelijke context.
1.4. ETHIEK EN DEONTOLOGISCHE CODE
1.4.1. De student kent de deontologische standaarden van het vakgebied en kan op basis van bewuste ethische reflectie weloverwogen en professioneel verantwoorde keuzes maken, ook in complexe contexten.
1.4.2. De student kan reflecteren over ethische principes bij het opzetten, uitvoeren en rapporteren van onderzoek en is in staat deze principes toe te passen.
2. De relationele houding van de master in de psychologie
2.1. De student kan in een (multidisciplinaire) professionele omgeving op een open en flexibele manier samenwerken met anderen.
2.2. De student kan een vertrouwensrelatie met een andere/cliënt opbouwen en continueren, met een evenwicht tussen emotionele nabijheid en afstand, rekening houdend met de voorkeuren van het individu.
2.3. De student arbeids- en organisatiepsychologie toont een evenwichtige betrokkenheid bij het welzijn van de werknemers, zich bewust zijnde van het evenwicht tussen de belangen van werkgever en werknemer.
3. De wetenschappelijke houding van de master in de psychologie
3.1. De student is in staat om zelfstandig wetenschappelijk onderzoek te doen.
3.2. De student kan de meest gangbare kwalitatieve en kwantitatieve onderzoeksmethoden binnen de psychologische wetenschappen toepassen.
4. De domein-specifieke houding van de master in de psychologie
4.1. SCIENTIST-PRACTIONER HOUDING
4.1.1. De student combineert en integreert theorie, onderzoek en praktijk.
4.1.2. De student kan op basis van wetenschappelijke literatuur tot een evidencebased beoordeling komen van de kwaliteit en effectiviteit van praktijken in het werkveld.
4.1.3. De student is in staat tot het (re)produceren van wetenschappelijke kennis, het verwerven van inzicht in en het toepassen van wetenschappelijk verantwoorde methoden en technieken.
4.2. PSYCHOLOOG ALS EVALUATOR
4.2.1. De student selecteert en gebruikt autonoom methoden en technieken van psychologische evaluatie, en doet dit op een manier die responsief en respectvol is voor diverse individuen, groepen en/of contexten.
4.2.2. De student kan de meest gangbare meetinstrumenten voor het uitvoeren van een psychologische evaluatie gebruiken binnen het gekozen specialisatiedomein (arbeids- en organisatiepsychologie of klinische psychologie).
4.2.3. De student arbeids- en organisatiepsychologie kan individuele functies en werksituaties op een wetenschappelijk onderbouwde manier analyseren gericht op het welzijn van de werknemers.
4.2.4. De student arbeids- en organisatiepsychologie kan arbeids- en organisatiepsychologische thema’s analyseren en duiden in hun wetenschappelijke context.
4.2.5. De student klinische psychologie kan psychologisch functioneren analyseren aan de hand van gedragskenmerken rekening houdend met de impact van diverse betrokkenen, en met het samenspel van het individu en diens context.
4.2.6. De student klinische psychologie kan een hulpvraag omzetten in een psychodiagnostisch onderzoek met gebruik van gepaste methoden.
4.2.7. De student klinische psychologie interpreteert en integreert de resultaten van een psychodiagnostisch onderzoek om op een wetenschappelijk onderbouwde wijze een hulpvraag te beantwoorden en interventies te plannen en/of te evalueren.
4.3. PSYCHOLOGISCHE INTERVENTIES
4.3.1. De student arbeids- en organisatiepsychologie kan wetenschappelijk onderbouwde suggesties doen die bijdragen tot het welzijn en/of het functioneren van werknemers.
4.3.2. De student klinische psychologie heeft inzicht in verschillende psychotherapeutische benaderingen en psychologische preventie- en interventiemethoden.
4.3.3. De student klinische psychologie heeft kennis van evidence- en practicebased psychologische interventies en kan deze toepassen.
4.3.4. De student kan klinische/arbeidspsychologische interventies ontwerpen en toepassen op basis van wetenschappelijke inzichten over evidence-based praktijken.
4.3.5. De student klinische psychologie kan de effecten van een therapeutisch proces en een interventie specifiek voor een casus en een context evalueren en de aanpassingen in een behandelplan aanbrengen wanneer nodig.
4.3.6. De student klinische psychologie kan deskundig advies en/of professionele hulp bieden, aangepast aan de behoeften, noden en/of doelen van een cliënt.
5. De leerhouding en educatieve competenties van de master in de psychologie
5.1. De student is in staat om op een professionele manier mondeling en schriftelijk te communiceren met cliënten, doelgroepen, gemeenschappen en professionals.
5.2. De student heeft inzicht in het belang van en toont bereidheid tot levenslang leren om kennis en vaardigheden op te doen in eigen en andere domeinen.
6. De systemische houding en competenties van de master in de psychologie
6.1. MANAGEMENT
6.1.1. De student heeft inzicht in de veelheid van elementen die bevorderlijk zijn voor het functioneren van een organisatie
(individu/groep/organisatie/omgeving).
6.1.2. De student Arbeids- en organisatiepsychologie kan op een wetenschappelijk onderbouwde wijze organisatieprocessen uitwerken, evalueren en optimaliseren.
6.2. INTERDISCIPLINAIR WERKEN
6.2.1. De student is in staat om de verworven kennis en inzichten te kaderen binnen het interdisciplinaire denken en deze kritisch te analyseren in het licht van empirische evidentie uit de wetenschappelijke literatuur.
6.2.2. De student kan samenwerken in een multidisciplinaire omgeving.
In het kader van dit studieprogramma, zijn de volgende afstudeerplannen mogelijk:
| Afstudeerrichting arbeids- en organisatiepsychologie |
| Afstudeerrichting klinische psychologie |